Het VN-verdrag

  • Het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap is een internationaal mensenrechtenverdrag en stelt dat mensen met een beperking evenwaardig kunnen deelnemen aan de maatschappij. Het verdrag werd door België geratificeerd op 2 juli 2009. Vanaf dit moment gaat de Belgische regering een engagement aan om wat in dit verdrag staat ook toe te passen in een beleidsvisie. 

 

  • Artikel 24 van dit Verdrag stelt dat een inclusief onderwijssysteem de norm moet worden. Alle scholen moeten openstaan voor alle kinderen, ongeacht het al dan niet aanwezig zijn van een handicap en dit gaande van het kleuteronderwijs tot wanneer men afstudeert. Dit betekent dan ook dat elk kind met een beperking recht heeft om in te schrijven in een gewone school. Om het recht op onderwijs te waarborgen schrijft het Verdrag voor dat het kind recht heeft op redelijke aanpassingen. De school moet voortaan aantonen dat ze samen met de ouders en het CLB redelijke aanpassingen zoekt. Slechts in uitzonderlijke omstandigheden kan, na uitputting van alle mogelijkheden, besloten worden dat redelijke aanpassingen in een bepaalde school niet mogelijk zijn en kan de inschrijving ontbonden worden na grondige motivatie van de school. Het weigeren van redelijke aanpassingen is volgens het VN-verdrag immers een vorm van discriminatie.

 

  • Het VN-comité voor de rechten van personen met een handicap heeft in september 2016 General Comment nr. 4 uitgevaardigd waarin het recht op inclusief onderwijs wordt toegelicht. De General Comment stelt duidelijk dat de overheid dit inclusief onderwijs geleidelijk moet verwezenlijken en dat het in stand houden van twee gescheiden onderwijssystemen niet verenigbaar is. Er rust bovendien een onmiddellijke verplichting op de overheid om een strategie uit te werken om dit inclusief onderwijs te verwezenlijken. 
    • De General Comment is jammer genoeg (nog) niet vertaald in het Nederlands. Unia heeft een zeer summiere samenvatting gemaakt. Nochtans is dit dé handleiding en wegwijzer over hoe inclusief onderwijs uitgerold moet worden. We wachten nog vol ongeduld op een vertaling…
    • Een paar passages uit de General Comment die we zelf vertaald hebben leest u hier.

 

Het VN-Comité waakt over de uitvoering van het verdrag. België moet regelmatig rapporten indienen en de VN geeft dan feedback. In 2014 bij de bespreking van het eerste rapport van België was het comité bezorgd over de beperkte vooruitgang op het vlak van inclusief onderwijs. Met het M-decreet, goedgekeurd in 2014, wil de Vlaamse regering dichter bij een inclusief onderwijs komen. In 2019 volgt een volgend rapport van België aan de VN. 

Mensenrechtenorgansiaties zoals UNIA, GRIP en het kinderrechtencommissariaat houden een stevige vinger aan de pols wat betreft de uitvoering van dit verdrag. Zo vinden ze oa. dat Minister Crevits niet voldoende inspanningen doet om inclusief onderwijs waar te maken en het ook actief tegenwerkt. Zo is de stelling van de Minister dat voor een grote groep leerlingen het buitengewoon onderwijs nog steeds de beste oplossing is geen stimulatie tot inclusief denken in het onderwijs volgens hen.

 

De Minister en ook de commissie onderwijs zijn, op basis van het verdrag, er nochtans altijd van uitgegaan dat een buitengewoon onderwijs gerechtvaardigd was om het recht van onderwijs voor kinderen met een beperking te garanderen. Het is pas bij het verschijnen van de General Comment nr.4 dat duidelijk geworden is dat een appart onderwijssysteem niet getolereerd wordt. Dit is eens te meer naar voren gekomen in de Commissievergadering van het Vlaams parlement van 2 februari 2017 over de vraag rond het ondersteuningsmodel en het voortbestaan van het Buitengewoon Onderwijs (vanaf pag. 21). Op pag. 30 van het verslag van die vergadering lezen we de terechte bezorgdheden van Mnr. Jo De Ro (Open Vld)

“Ik sluit me aan bij alle appreciatie die al gegeven is. Laat dat duidelijk zijn. Maar ik stel me wel één ernstige vraag, minister, en ik ga ze toevoegen aan de vragen die gesteld zijn.

Tot voor kort ben ik altijd in de overtuiging geweest dat het model dat wij uit- gebouwd hadden in Vlaanderen, met gewoon onderwijs dat een groei moet kennen naar inclusief onderwijs, en daarnaast een sterk buitengewoon onderwijs voor wie dat nodig is, over partijgrenzen heen gedragen werd, over de tijd gedragen werd en internationaal verdragsrechtelijk ook toegestaan was. Door de heisa die er deze week was, ben ik zelf ook eens de additionele nota van de Verenigde Naties gaan lezen, die tot mijn verbazing al sinds september 2016 online staat. Ik zou iedereen die met het M-decreet, inclusief onderwijs en buitengewoon onderwijs bezig is, aanraden om die eens te lezen. Want ik viel eigenlijk wel van mijn stoel. Ik hoop dat ik, als niet-jurist, dit iets te streng lees.

Op pagina 4 lees ik dat er eigenlijk weinig twijfel over bestaat dat alle middelen die vanuit het onderwijsbeleid en het ministerie vertrekken, moeten leiden tot een inclusief onderwijs. Op pagina 11 lees ik dat alle ondersteuningsmaatregelen – we hebben het hier over waarborg en ondersteuningsmodel – alleen maar als doel kunnen hebben om het doel van inclusie te bereiken. En op pagina 12 staat duidelijk dat de staten die ondertekend hebben, moeten verzekeren dat alle leer- krachten, van kleuter-, lager, secundair en hoger onderwijs, opgeleid moeten worden in inclusief onderwijs, gebaseerd op ‘the human rights model of disability’. Tegelijkertijd moeten ze zwaar investeren en ondersteunen bij het aanwerven en opleiden van mensen met beperkingen om zelf ook leerkracht te worden.

Dan stel ik mij de vraag, die samenvalt met de fundamentele existentiële angst in het buitengewoon onderwijs: mag dit in de toekomst nog gebeuren? Minister, ik overval u er misschien mee, maar ik denk dat dit voor iedereen hier toch een belangrijke vraag is als we het over het M-decreet gaan hebben. Dat moet juridisch worden uitgeklaard. Anders zijn een heleboel bezorgdheden en opmerkingen die hier zijn geuit, en die ik deel, op dit moment zonder voorwerp. Omdat die nota steeds meer aan de oppervlakte komt, vind ik dat hierover duidelijkheid vanuit Brussel moet worden verschaft. Desnoods moeten wij ons model van gewoon en buitengewoon onderwijs, ons traject met het M-decreet, al dan niet aangepast, binnenkort ook wel eens gaan uitleggen bij de Verenigde Naties in New York. Tot voor kort was de uitleg die we als parlementsleden altijd gekregen hadden, ook in de hoorzittingen naar aanleiding van het M-decreet, dat in een model waarbij je vertrekt vanuit artikel 7, namelijk het belang van het kind, het buitengewoon onderwijs ‘in the best interest’ van het kind kan zijn. Als ik dit nu lees, laat dit veel minder speling open. Het is een oprechte bezorgdheid. Als we daar juridisch een antwoord op krijgen dat verschilt van onze politiek van de laatste dertig of veertig jaar, dan zullen we hier een ander debat hebben binnenkort.

Minister, u bent juriste en ik niet. Als ik dit als leek lees, lijkt mij de interpretatie toch veel sterker dan wat ik gelezen heb in het oorspronkelijke verdrag dat hier geratificeerd is. Daar moet dringend een belangrijke juridische uitklaring ge-beuren. Dat is immers heel belangrijk voor de evaluatie van het M-decreet en de volgende stappen die we zetten. Daarmee wil ik niet aan paniekzaaierij doen, maar er staan aanbevelingen in die tot op de werkvloer gaan. Ze lezen bijna als een handleiding om aan inclusief onderwijs te doen. Daar valt veel voor te zeggen, maar als het wit-zwart is, dan zijn we er nog niet.”

 

apr 2017