Wat ouders dromen...

Ingediend door Annemie P. op wo, 10/11/2017 - 12:20

Vele van ons zijn ‘ouders’. Mama of papa van een kind zijn is heel wat, niemand kan je het uitleggen als je het niet meemaakt. Het is als liefde in meest overtreffende trap en liefde laat zich ook moeilijk in woorden beschrijven, je beleeft en ondergaat het. De geboorte van een kind is de geboorte van een verhaal van liefde, en dat verhaal is min of meer al geschreven in gedachten als je zwanger bent. Je hebt als ouder de droom voor je kind dat hij of zij zijn weg zonder al te veel tegenslagen zal vinden in het leven, dat hij of zij ook de liefde zal vinden, zowel bij een partner als bij hun eigen kinderen. Je hebt de droom voor een fantastische job voor je kind, voor een standvastige relatie, en niet teveel geldproblemen. Je droomt dat je je kind een geborgen kindertijd kunt geven, dat het gezond blijft en dat je zonder teveel kleerscheuren hun pubertijd kunt doorkomen, dat ze zonder al teveel preken kunnen opgroeien tot evenwichtige volwassenen. Je droomt dat je zelf nog lang en goed mag leven en mag deelnemen aan hun leven, en het leven van de kleinkinderen (hoop je), en misschien nog wat achterkleinkinderen?

Het is een heel gewaagde droom, een sprong in het diepe, een zoeken naar de goeie aanpak van je kind en een constant jezelf in vraag stellen, doe ik het wel goed? Heel veel onzekerheden waar we moeten mee omgaan, heel veel hopen op het beste…

Veel ouders zullen zich hierin herkennen.

 

Maar dan zijn er nog andere ouders, van andere kinderen, met een andere droom. Een droom die soms uiteenspat al van bij de geboorte of tijdens de zwangerschap. Of een droom die langzaam uitmondt in een ware nachtmerrie. Als je kind niet blijkt te zijn zoals andere kinderen en de wereld opeens zoveel onzekerder wordt. De grond zakt weg onder je voeten, je droom valt in duigen, verdriet overmant je…, maanden, jaren. En heel soms leidt een handicap ook tot de dood, we moeten daar geen doekjes omwinden, het is de vreselijke waarheid. En ook dat speelt mee als je kind een handicap heeft waar niemand, maar dan ook niemand jou kan zeggen ‘het komt goed’. Dromen van een goed leven voor je kind wordt ineens hopen dat hij/zij ooit kan praten, hopen dat hij/zij ooit kan stappen, hopen dat hij/zij ooit kan lezen, hopen dat hij/zij ooit tot liefde en ware interactie kan komen en kan laten blijken dat hij/zij van je houdt, hopen dat hij/zij ooit dé liefde kan vinden en een gelukkig leven kan opbouwen, op welke manier dan ook.

Maar ook ouders van kinderen waarvan de initiële droom nog heel zeker realiseerbaar is, als ze maar genoeg ondersteund worden in die broze maar belangrijke kinder- en pubertijd. Deze ouders hebben het ook moeilijk, vragen zich ook voortdurend af ‘doe ik het wel goed?’, komen op voor hun kind omdat ze die droom nog altijd ongeschonden voor ogen hebben. Kinderen die niet zo goed of juist wel heel goed meekunnen met de gewone leerstof, of een bepaalde leermoeilijkheid hebben of die door lichamelijke beperkingen voortdurend zichzelf extra moeten inspannen, kinderen die met zichzelf in de knoop zitten en emotionele of gedragsmoeilijkheden vertonen, enz… Voor die kinderen is de droom nog heel erg tastbaar en heel zeker realiseerbaar, en zij kunnen gerust hun weg vinden in de maatschappij als een zelfstandige volwassene, alleen is die weg moeilijker te vinden en hebben ze dikwijls veel meer hulp nodig. Maar die hulp loont dus wel degelijk en als dat kind opgroeit tot een zelfstandig en gelukkig persoon, dan kunnen we achteraf zeggen ‘Dat hebben we toch goed gedaan’.

 

De droom voor je kind realiseren kun je niet alleen. Je hebt daarbij partners nodig, die je kind, je allerkostbaarste bezit, meenemen in hùn verhaal, die inspireren en onderwijzen en hen de wereld laten zien en kennen. Je geeft je kind af aan een leerkracht en je hoopt dat zij zien wat jij ziet, een kind dat het potentieel heeft om op te groeien tot een prachtige mens. Die andere ouders hebben ook die partners nodig, meer dan wie ook, want hun verhaal is verdomd ingewikkeld en ongelooflijk onzeker. Ze zoeken antwoorden, oplossingen, maar bovenal hulp om hun droom levendig te houden of op zijn minst leefbaar. Als ouder droom je niet van een kind die altijd kind blijft, die altijd jouw hulp en geborgenheid zal nodig hebben. Het is een verstikkend en onwezenlijk gevoel, een berg die voor je staat en waar je je op den duur zo moe voor voelt om ze te blijven beklimmen. Het brengt een knagende onzekerheid over de toekomst met zich mee, relaties gaan eraan kapot, gezinnen vallen erdoor uiteen, broers en zussen voelen mee de verantwoordelijkheid, en het gezin van een kind met een beperking is in vele gevallen ook een ‘beperkt’ gezin. Maar alles waar je niet van dood gaat maakt je sterker, dat is heel zeker. Het verandert je als mens ook in de positieve zin, je gaat anders tegenover het leven staan en leert relativeren en genieten van alle kleine dingen. Het maakt je strijdvaardig en kritisch, het tilt je naar een hoger niveau van meevoelen, meeleven en zorgen voor.

En dat is nu juist ook onze sterkte. Andere ouders zijn geen gemakkelijke ouders. Ze voelen een duizendvoudig grotere verantwoordelijkheid voor hun ander kind. Hun ‘zorgen voor’ knop wordt veel meer ingeduwd dan bij ouders van ‘gewone’ kinderen. Ze vechten voor hun kind omdat ze in vele gevallen weten dat hun kind moeilijk of zelfs niet zal kunnen opkomen voor zichzelf. Ze eisen goede partners, goede scholen, goede begeleiding, goede opvang, goede toekomstmogelijkheden. Want als ze dat niet krijgen dan weten ze dat ze een vogel voor de kat zijn en misschien dan al maar direct de boeken toe kunnen doen. Dan heeft het leven geen zin meer en dan lezen we inderdaad af en toe schrijnende verhalen in de krant dat ouders zichzelf en hun ander kind uit een miserabel leven stappen omdat ze geen uitweg meer zien. Dit willen we niét!

 

Het is aan een overheid om een goed beleid uit te stippelen, waar iedereen zich kan in vinden en wat realiseerbaar is. Goed leiderschap uit zich in het aanbieden van een werkbaar kader waarover goed is nagedacht en waar een duidelijke visie achter zit. Goed leiderschap uit zich in een competente leider die vertrouwen schept en die wéét waarmee hij/zij bezig is. Goed leiderschap is ook zichzelf in vraag durven stellen, feedback ontvangen, verantwoordelijkheden opnemen en toegeven als ze fout zitten. Goed leiderschap betekent ook dat je de juiste en voldoende middelen voorziet zodat je team optimaal kan presteren. Goed leiderschap is niet alleen maar dromen, durven en doen en dan hopen dat het goed uitdraait en dat het leidt tot extra populariteit.

 

Wat willen ouders?

 

Hun kind moet gezién worden in een klas, mag niet verdrinken in een te grote klas. Hun leerkracht moet tijd kunnen maken voor hun kind, zonder dat de andere kinderen daar nadeel van ondervinden! Tijd is hier essentieel; tijd om elkaar te leren kennen, tijd om te weten wat werkt en niet werkt, tijd om te begeleiden, aandacht voor hun problemen, hun zwaktes, hun sterktes.

  • Maak kleinere klassen of maak werk van co-teaching!

Hun kind heeft baat bij een gelukkige leerkracht, die met veel motivatie voor een mooie klas staat, die er goesting in heeft, die het kind met veel plezier meeneemt in hun verhaal.

  • Maak werk van werkbaar werk voor leerkachten! Haal de planlast omlaag, zorg voor meer ondersteunend personeel in de vorm van kinderverzorgers, secretariaatsmedewerkers, klusjesmensen,…
  • Maak werk van een degelijke leerlingenbegeleiding. En dan bedoelen we niet alleen het verplicht maken, maar ook het budget ervoor uittrekken.

 

Wat willen andere ouders meer?

 

Andere ouders willen hun kind kunnen afgeven aan betrouwbare handen, aan mensen die weten waar ze mee bezig zijn en de problematiek van je kind begrijpen. Experten die niet enkel jouw kind kennen maar ook vele andere kinderen met dezelfde problemen kennen en die daarom ook weten wat er werkt en niet werkt, wat je kind nodig heeft en hoe ze het kunnen bieden. Deze onderwijsmensen hebben hiervoor extra gestudeerd, want dat is nodig om de complexe problematiek van zovele beperkingen te begrijpen. Deze onderwijsmensen zijn niet alleen leerkrachten, maar ook paramedici zoals kinesisten, logopedisten, ergotherapeuten,… die vele jaren gestudeerd hebben om te weten waar jouw kind echt baat bij heeft.

  • Geef elke gewone school een expert uit diverse disciplines in hun leerlingenbegeleidingsdienst. Op zijn minst een gespecialiseerde leerkracht, een kinesist, een logopedist om leerkrachten te ondersteunen in de klas en om problemen in een vroeg stadium te herkennen.
  • Geef kinderen met zwaardere problematieken een rechtstreekse rugzak: een extra leerkracht of assistent zodat het kind extra geholpen kan worden. Hou daarbij signalen van welbevinden van kind én ouders in de gaten en zorg voor een gemakkelijke overstap naar specialistisch onderwijs. Begeleid ouders daarin, via school of externe instanties. Het loslaten van je droom voor je kind is niét gemakkelijk en is soms een echt rouwproces. Andere ouders moeten weten dat ze er niet alleen voor staan en dat een specialistisch onderwijs geen straf of eindstation is.
  • Waardeer speciaal onderwijs en maak er echte expertise centra van. Dit specialistisch onderwijs is heel dikwijls de sleutel tot inclusie in de maatschappij als de kinderen eenmaal de school verlaten. Het buitengewoon onderwijs moeten we beschouwen als het specialistisch ziekenhuis waar je heen gaat als je speciale medische zorgen nodig hebt, waar specifiek opgeleid en ervaren personeel ter beschikking staat om je zo goed mogelijk naar je zelfstandig leven terug te begeleiden. Niet iedere dokter is van alle specialiteiten op de hoogte, zo is dat ook met leerkrachten, dat kunnen we van niemand verlangen.

 

Andere ouders willen ook nog een leven buiten het ouderschap. Ze willen werken en ook deelnemen aan de maatschappij. Inclusie voor deze ouders is even belangrijk. En dat is heel erg moeilijk. Soms vergt de zorg voor een kind zoveel dat je niet anders kan dan je werk en je sociaal leven opgeven en fulltime mantelverzorger worden. En dan loert isolement en depressie dikwijls om de hoek. Je zorg voor je kinderen is echter niets waard als je niet eerst zorgt voor jezelf.

En ook daar heeft een overheid een zeer grote rol in. Je kunt niet verwachten van ouders dat ze organisators van vrijwilligers worden om hun kind te begeleiden in een school. Je kunt niet verwachten van ouders dat ze allemaal werkgever worden om de volledige zorg rond hun kind te organiseren. Je kunt het vragen, maar je mag er niet van uit gaan dat ze hun plan wel zullen trekken. Sommige ouders trekken hun plan niet, en vele gezinnen kunnen alleen maar functioneren als ze hulp in een bepaalde vorm krijgen.

Ook hier is tijd weer heel belangrijk. Andere ouders moeten tijd krijgen voor zichzelf, voor hun partner, voor de andere kinderen in het gezin die het dikwijls moeten doen met veel minder aandacht en waar die ouders zich dan ook nog eens heel erg schuldig kunnen om voelen.

  • Geef hen die tijd door therapie uren te voorzien tijdens de schooluren, zodat het kind en de ouders niet na de schooluren naar therapeuten heen en weer moeten rijden.
  • Voorzie aangepaste voor- en naschoolse, woensdagmiddag en vakantie opvang, ook voor tieners met een beperking, zodat een ouder kan blijven werken.
  • Voorzie vervoer voor kinderen met zwaardere beperkingen die niet zelfstandig op school kunnen raken, ook als ze tiener zijn.
  • Of voorzie iemand die deze opvangtaken en vervoerstaken op zich kan nemen, die kan rijden naar therapie, naar school, naar hobby mogelijkheden… Aan een ‘gewoon’ kind kun je zeggen: neem je fiets, neem de bus, maar bij vele kinderen met een beperking is dit geen optie.

 

Andere ouders willen dat hun kind aanvaard wordt in de maatschappij. Ze willen hun kind echter niet als proefkonijn om tot die aanvaarding te komen. Ze zijn geen studiemateriaal voor andere kinderen. Kinderen zijn soms hard voor elkaar en tieners zoeken hun eigen persoonlijkheid door zich te spiegelen aan hun vrienden en deel te nemen aan activiteiten met gelijkgestemden. Andere kinderen kunnen hierbij heel erg uit de boot vallen en gepest worden, hoe zeer we dat ook proberen te vermijden. Niemand heeft graag dat zijn kind gepest wordt of een pester is. Andere ouders zijn daar nog veel meer beducht voor omdat ze weten dat hun kinderen in vele gevallen moeilijk of niet kunnen opkomen voor zichzelf. En kinderen die in een kanaal gedumpt worden doen ons allemaal huiveren en slecht slapen.

Het vermijden van pestgedrag en het aanvaard worden in een groep is een absolute voorwaarde voor het welbevinden van een kind. Empathie komt echter niet vanzelf bij kinderen en dus moet dit zeer zeker aangewakkerd worden.

  • Maak dus zeker werk van een sterk burgerschap programma waar kinderen ook respect leren krijgen voor minderheden van welke aard ook. Het verhaal van Jezus is echter al lang niet meer actueel en ‘godsdienst’ moet een bredere invulling krijgen en misschien zelfs verlaten durven worden. Het zou wellicht vele centen beschikbaar maken om andere dingen te verwezenlijken.
  • Speel kort op de bal bij pestgedrag. En dit kan dan alleen maar wanneer de leerkracht het opmerkt en er de tijd voor heeft om er iets aan te doen, samen met een goed onderbouwde leerlingbegeleiding.

 

Dit is mijn visie, en die strookt momenteel niet met de manier van beleidsvoeren vanuit de overheid. De ondersteuningsnetwerken zijn niet de weg tot een gelukkiger kind, ouder of leerkracht. Want de middelen zijn beperkt en worden niet efficiënt ingezet. Het is een haastig beleid en het geeft absoluut geen vertrouwen. En vertrouwen is nu net het belangrijkste voor al die ouders die hun kind iedere dag in de handen van iemand anders moéten toevertrouwen.