Diploma's?

Het buitengewoon onderwijs laat de leerlingen geen gemeenschappelijk leerprogramma doorlopen, maar zorgt voor een geïndividualiseerd programma dat aangepast is aan de noden en de mogelijkheden van elke leerling. Daarom selecteert de klassenraad de ontwikkelingsdoelen die het voor een bepaalde leerling of leerlingengroep wil nastreven. Dit noemt men ook het opstellen van een handelingsplan. Het handelingsplan wordt opgesteld door de klassenraad, in samenspraak met het CLB. Ook de ouders worden er het liefst in betrokken.

 

Als een leerling in het buitengewoon basisonderwijs ontwikkelingsdoelen bereikt heeft die gelijkwaardig zijn aan de leerdoelen van die van het gewoon lager onderwijs, dan kan de leerling het getuigschrift basisonderwijs behalen. Het kind moet ook regelmatig naar de les gaan. De school moet dan een aanvraag indienen bij de onderwijsinspectie om de leerdoelen van het gevolgde handelingsplan als gelijkwaardig te beoordelen met die van het gewoon lager onderwijs. Als dat zo is, dan kan je kind het getuigschrift basisonderwijs behalen. In vele gevallen heeft het kind dit echter niet.

 

In het buitengewoon secundair onderwijs zijn er alnaargelang de opleidingsvorm (OV) verschillende mogelijkheden. 

  • In OV1 en OV2 krijgt de jongere een attest maatschappelijk functioneren en participeren in een omgeving met ondersteuning al dan niet met arbeidsdeelname/tewerkstelling in een omgeving met ondersteuning (beschutte/beschermde werkplaats).
    • In OV1 worden de jongeren voorbereid op een toekomst in een beschermde leefwereld alsook een beschermd bezigheidsmilieu. Een beschermde leefwereld kan zijn: voortgezet verblijf in hun thuismilieu of een beschermde woonvoorziening, een tehuis voor niet werkende volwassenen, … Een beschermd bezigheidsmilieu kan zijn:  een dagcentrum (waar een zinvolle dagbesteding wordt aangeboden), begeleid werken (enkele uren, enkele dagen per week gaan werken in het gewone arbeidsmilieu, vrijwilligerswerk).
    • In OV2 worden de jongeren opgeleid voor tewerkstelling in een beschutte werkplaats, eventueel ondersteund met een beschutte leefomgeving. 
  • OV3 bestaat uit 2 fases en richt zich tot jongeren die het moeilijk hebben in het gewoon onderwijs, maar toch mogelijkheden hebben om met een aangepaste opleiding te integreren in een gewoon leef- en arbeidsmilieu. De jongere haalt een getuigschrift en kan ingezet worden in het reguliere arbeidsmilieu als bakkersgast, boekbinder, metselaar, receptiemedewerker, enz. (de volledige inhoud van OV3 met de verschillende opleidingsprofielen vindt u hier. Belangrijk daarbij is dat de opleidingen die dezelfde naam dragen als die opleidingen in het Beroepsonderwijs of het Volwassenonderwijs dezelfde inhoud hebben, ongeacht de onderwijsvorm waarin de opleiding wordt aangeboden. Dit is nodig om compatibel te zijn met de vraag van de arbeidsmarkt. Eenzelfde benaming en eenzelfde inhoud betekent niet dat de methodische aanpak of de duur van de opleiding identiek moeten zijn. Daarin behoudt het buitengewoon onderwijs zijn eigenheid. Zo kan de jongeren tot 21 jaar school lopen in het BuSO, en soms zelf nog langer.
  • In OV4 kan de jongere hetzelfde diploma en dezelfde studiebewijzen behalen als in het voltijds gewoon secundair onderwijs. OV4 is eigenlijk het gewoon secundair onderwijs, maar dan met doelstellingen en ondersteuning aangepast aan de problematiek van de jongere. Het biedt onderwijs aan normaal begaafde jongeren die wegens de ernst van hun beperking (ASS, gedrags, emotionele, motorische, visuele, auditieve) of wegens de voortdurende medische en paramedische ondersteuning die ze nodig hebben (zieke jongeren), niet naar het gewoon onderwijs kunnen.

 

apr 2017