Het Ondersteuningsmodel

Met het ondersteuningsmodel wil Vlaams minister van Onderwijs Hilde Crevits, een nieuwe stap zetten richting inclusief onderwijs. Het ondersteuningsmodel is een verdere uitrol van het M-decreet.

Hieronder vind je dan de meer uitgebreide informatie door ons gebundeld, meer bepaald over hoe het budget verdeeld wordt onder de kinderen, over ondersteuningscentra en over de organisatie van de ondersteuning zelf

Vanuit de overheid is er een webpagina voor ouders beschikbaar dat info geeft over dit ondersteuningsmodel. Vanuit de administratie is er ons ook een document met info voor ouders bezorgd. 

Onderaan vind je een link naar een printvriendelijke PDF versie van deze pagina.


 

I. Hoe wordt ondersteuning georganiseerd:

 

De vroegere GON/ION-begeleiding verdwijnt. De middelen hiervoor worden samen met de waarborgregeling en een extra 15,2 miljoen euro gebruikt voor het nieuwe ondersteuningsmodel. De waarborgregeling betreft geld en dus tewerkstellingsuren van leerkrachten die vrijkomen omdat leerlingen van buitengewoon naar gewoon overstappen. Dit fluctueert dus ieder jaar. In het extra budget van 15,2 miljoen euro gaat er 4 miljoen euro naar het hoger onderwijs en moet de resterende 11,2 miljoen euro prioritair gebruikt worden voor leerlingen die nu geen ondersteuning krijgen. Het gaat om de begeleiding van kleuters met een matige of ernstige verstandelijke beperking (type 2), bijvoorbeeld kleuters met syndroom van Down. De tweede groep zijn leerlingen met een emotionele of gedragsstoornis (type 3) die geen verstandelijke beperking hebben, bijvoorbeeld kinderen met ernstige ADHD. Het gaat samen om 2400 leerlingen.

 

Concreet voor schooljaar 2017-2018:

GON/ION: +- 63 miljoen euro

Waarborgregeling voor 2017-2018: 25 miljoen euro

Extra 15,2 miljoen euro

Middelen voor competentiebegeleiders (pedagogisch begeleiders die scholen begeleiden bij de overgang naar meer inclusief onderwijs): 3,6 miljoen euro. Deze regeling blijft bestaan en wordt als dusdanig niet gebruikt in het budget van het ondersteuningsmodel.

Het totale budget voor het ondersteuningsmodel bedraagt aldus 106,8 miljoen euro. In dit budget is een vastgelegde onderverdeling voor basis- en secundair onderwijs.

 

1) Ondersteuning voor type 2, 4, 6 of 7 (auditieve beperking):

Van het totale budget wordt jaarlijks rechtstreeks een budget afgehouden voor de ondersteuning van leerlingen type 2,4,6 of 7 auditieve beperking (een ‘rugzakje’). Deze voorafname gebeurt al naargelang het aantal leerlingen die ingeschreven zijn in een gewone school. Zijn er minder van deze leerlingen dan daalt het budget, zijn er meer dan stijgt het budget. Dit wordt ieder jaar herbekeken.

Deze leerlingen krijgen een gegarandeerde leerlinggerichte ondersteuning. Het budget wordt uitgekeerd aan de buitengewoon onderwijs school die de rechtstreekse ondersteuning aan de leerling biedt onder de vorm van begeleidingseenheden. Begeleidingseenheden kunnen naargelang de aard van de ondersteuning die nodig is, alleen maar omgezet worden in lestijden, lesuren en uren en dit om personeel mee aan te werven. Geen materiële omkadering dus (zoals aangepaste software bv.), dit wordt ten dele geregeld door de voorziene financiering van speciale onderwijsleermiddelen.

 

2) Ondersteuning voor type basisaanbod (type 1, 8 in afbouw), 3, 7 (spraak- of taalstoornis), 9 (ASS):

Het resterend budget, na aftrekking van de voorafname, wordt uitgekeerd aan de ondersteuningsnetwerken die instaan voor de ondersteuning van kinderen type basisaanbod (type 1, 8 in afbouw), 3, 7 (spraak- of taalstoornis), 9. De verdeling van de middelen gebeurt door commissies (voor elke schoolnet wordt er een commissie opgericht) op basis van een 70/30 verdeelsleutel: voor 70% op basis van het aantal leerlingen van de gewone scholen in een ondersteuningsnetwerk en voor 30% op basis van het gemiddeld aantal leerlingen met een (inschrijvings)verslag of gemotiveerd verslag gedurende de laatste 6 schooljaren in de gewone scholen binnen een netwerk.

 

Omwille van de impact van dit 70/30 verdelingsmechanisme in vergelijking met de toekenning in GON en waarborgregeling wordt een transitieperiode voorzien gedurende drie schooljaren:

  • Het 1e jaar (schooljaar ’17-’18) wordt 100% rechtstreeks verdeeld onder de buitengewoon onderwijs scholen die vorig jaar de GON/ION begeleiding deden.
  • Het 2e jaar (schooljaar ’18-’19) wordt dit dan 66% rechtstreeks aan de buitengewoon onderwijs scholen en 33% aan de ondersteuningsnetwerken volgens 70/30 sleutel.
  • Het 3e jaar (schooljaar ’19-’20) wordt dit 33% rechtstreeks en 66% volgens 70/30 sleutel.
  • Vanaf schooljaar ‘20-‘21 wordt dit budget volgens de 70/30 sleutel verdeeld aan de ondersteuningsnetwerken.

Er is ook nog een garantiefonds dat de volgende 3 jaren de verliezen van de kleinere onderwijsnetten compenseert owv de 70/30 verdeelsleutel, zodat tewerkstelling van de personeelsleden nu aan het werk binnen het M-decreet gegarandeerd blijft.

 

Het budget wordt binnen een ondersteuningsnetwerk toegekend onder de vorm van begeleidingseenheden aan ‘ondersteuners’. De begeleidingseenheden kunnen omgezet worden in lestijden onderwijzend personeel of uren paramedisch, medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel. Voor de voltijdse ambten van dokter, psycholoog of orthopedagoog worden 40 eenheden gebruikt. Een logopedist kost 30 eenheden. Voor een kinesist, ergotherapeut, kinderverzorger, verpleger en maatschappelijk werker moeten 32 eenheden worden voorzien. Voor een voltijdse onderwijzer, kleuteronderwijzer of leermeester ASV worden telkens 22 eenheden gebruikt.

 

In principe moeten de middelen (begeleidingseenheden en extra lestijden en uren) aangewend worden voor leerling- of leerkrachtgerichte ondersteuning in de gewone scholen. Binnen het ondersteuningsnetwerk kan ook afgesproken worden om een deel(tje) te reserveren voor andere opdrachten in het netwerk. In dit geval moet verantwoord worden hoeveel middelen hiervoor gebruikt zullen worden en waaraan deze middelen zullen besteed worden. Deze uitzonderlijke aanwending heeft tot gevolg dat er minder middelen kunnen ingezet worden voor de rechtstreekse ondersteuning van leerlingen en leerkrachten in de gewone scholen. Daarom moeten alle sociale partners van scholen binnen het netwerk deze intentie goedkeuren.

 

Leerkrachten vanuit het BuO zullen andere competenties moeten verwerven zoals coaching van leerkrachten in het gewoon onderwijs. Voor volgend schooljaar gaat de prioritaire nascholing naar professionalisering van de ondersteuningsnetwerken.

 

Competentiebegeleiders zullen effectief werken aan de expertiseontwikkeling binnen de ondersteuningsnetwerken.

 

 

II. De ondersteuningsnetwerken:

 

De verschillende ondersteuningsnetwerken verspreid over Vlaanderen vind je hier.

 

Voor de ondersteuning van leerlingen met een (inschrijvings)verslag of gemotiveerd verslag voor type basisaanbod (type 1, 8 in afbouw), 3, 7 (spraak- of taalstoornis), 9, worden dus ondersteuningsnetwerken gevormd. Scholen voor gewoon onderwijs vormen ondersteuningsnetwerken met scholen voor buitengewoon onderwijs die deze types aanbieden. De CLB’s en de pedagogische begeleidingsdiensten zijn ook partners in het ondersteuningsnetwerk.

 

  • De ondersteuningsnetwerken bevatten scholen op niveau van het kleuteronderwijs, lager onderwijs en secundair onderwijs en zijn best zo efficiënt mogelijk georganiseerd zodat de reistijd van ondersteuners zoveel mogelijk beperkt kan worden en opdrachten zo min mogelijk versnipperd zijn.

 

  • Voor de vorming van de ondersteuningsnetwerken wordt maximaal ingezet op samenwerking met scholen van andere netten. Gewone scholen kunnen, indien ze dit wensen, opteren voor ondersteuning door een ondersteuningsnetwerk van een ander net en internettensamenwerking wordt versterkt. Elke gewone school kan dus kiezen binnen welk ondersteuningsnetwerk ze met scholen voor buitengewoon onderwijs en andere scholen voor gewoon onderwijs wil samenwerken. Elke gewone school is dus verbonden met één ondersteuningsnetwerk. Een school die geen deel uitmaakt van een ondersteuningsnetwerk, kan geen ondersteuning krijgen.

 

  • De samenstelling van een ondersteuningsnetwerk kan wijzigen.

 

  • Een gewone school kan wel afspraken maken met een ander ondersteuningsnetwerk. In dat kader kunnen scholen voor buitengewoon onderwijs middelen overdragen aan scholen voor buitengewoon onderwijs van een ondersteuningsnetwerk dat behoort tot een ander onderwijsnet. In principe kan een vroegere GON-begeleidster dus behouden blijven als die nu behoort tot een ander ondersteuningsnetwerk dan deze waar de gewone school normaliter mee werkt.

 

  • Elk ondersteuningsnetwerk voorziet in een laagdrempelig aanspreekpunt voor ouders. Ouders kunnen op die manier doorheen het hele schooljaar bij het ondersteuningsnetwerk terecht met algemene vragen rond ondersteuning en specifieke vragen rond ondersteuning binnen de school van hun kind.

 

  • Het gemeenschapsonderwijs, het provinciaal onderwijs en het onderwijs van de steden en gemeenten werden alvast verplicht om samen te werken in 1 officieel ondersteuningsnetwerk per regio vanaf het schooljaar 2018-2019. Het vrij gesubsidieerd onderwijs was vrij om aan te sluiten of om een nieuw ondersteuningsnetwerk uit te bouwen.

 

 

III. De ondersteuning:

 

Bij het toekennen van ondersteuning is het belangrijk het diagram van het zorgcontinuüm voor ogen te houden:

 

zorgcontinuum

 

De inzet gebeurt daar waar de leerlingen met een gemotiveerd verslag of een verslag zitten die nood hebben aan extra ondersteuning. Ook hier is het belangrijk om deze 2 zaken te onderscheiden:

  • Een verslag betekent dat het kind het gemeenschappelijk curriculum (het gewone leerprogramma) niet kan volgen en dus een individueel aangepast curriculum (IAC) krijgt. Het kind komt in fase 3 van het zorgcontinuüm en heeft toegang tot het buitengewoon onderwijs als dit gewenst is.
  • Een gemotiveerd verslag betekent dat het kind het gewone leerprogramma kan volgen mits voldoende maatregelen en ondersteuning.

 

De ondersteuning vanuit het ondersteuningsmodel is dus bedoeld voor leerlingen die uitbreiding van zorg of specifieke individuele zorg nodig hebben, dus fases 2 en 3 van het zorgcontinuüm. Dit betekent dat CLB altijd ingeschakeld moet worden. Het ondersteunings-model is dus niet van toepassing bij fase 0 en 1. Dit gebeurt volgens de draagkracht en de visie van de scholen zelf!

 

Concreet:

Scholen voor gewoon onderwijs merken extra problemen bij een leerling, die binnen de maatregelen van fase 1 niet meer kunnen opgevangen worden en bepalen, samen met CLB en ouders, de ondersteuningsnoden via het stappenplan bij fase 2. Men spreekt ook van de opmaak van een HGD traject (handelingsgericht diagnostisch traject).

 

Er wordt dan eventueel overgegaan tot:

  • het opmaken van een gemotiveerd verslag als de leerling het gemeenschappelijk curriculum (het gewone leerprogramma) kan volgen of
  • het opmaken van een verslag als de leerling een individueel aangepast curriculum moet krijgen (het gewone leerprogramma niet kan volgen). Fase 3 wordt ingeschakeld. Een leerling kan, indien gewenst, nu overgaan naar het buitengewoon onderwijs.
  • het bepalen aan welke voorwaarden van welk type de leerling voldoet. Voor het bepalen van het type is het CLB nog steeds afhankelijk van onderwijsexterne diagnostische centra (behalve voor type BA).

 

Op basis van deze documenten kunnen scholen ondersteuning aanvragen bij

  • hun ondersteuningsnetwerk (in het geval van type basisaanbod, 3, 7 (spraak- of taalstoornis), 9 of
  • een buitengewoon onderwijs school (in het geval van type 2, 4, 6 of 7 (auditieve stoornis).

 

In de praktijk zijn er echter buitengewoon onderwijs scholen voor type 2, 4, 6 of 7 (auditieve stoornis) mee aangesloten in het ondersteuningsnetwerk. Gewone scholen zullen wellicht in de toekomst hun ondersteuningsnetwerk raadplegen voor de begeleiding van deze kinderen. Er is echter een keuze van ouders/kind welke school buitengewoon onderwijs zij verkiezen voor hun kind type 2, 4, 6 of 7 (auditieve stoornis)!

 

De ondersteuningsaanvragen kunnen het hele jaar door ingediend en opgestart worden.

 

Er wordt dan in de ondersteuningsnetwerken of met de buitengewoon onderwijsschool afgesproken welke ondersteuning, door wie, in welk volume, wordt ingezet. Ondersteuning kan dus flexibel en op maat worden ingezet, naargelang de noden. Het kan afgebouwd en terug opgestart worden en de intensiteit kan fluctueren in de tijd. Het is leerlinggericht (gegarandeerd bij type 2, 4, 6 en 7 (auditief)) of meer leerkrachtgericht. Er is geen enkel bepalend ondersteuningskader en ondersteuningsnetwerken zijn vrij om hun ondersteuning in te richten volgens hun visie (en middelen).

 

Deze aanpak verschilt dus grondig van het vroegere GON model dat ervan uitging dat leerlingen met eenzelfde problematiek (voor een aantal types gebaseerd op de medische ernst van de handicap) ook dezelfde hoeveelheid ondersteuning moesten krijgen. Dat wordt nu losgelaten om beter op de noden van leerlingen en leerkrachten in te spelen. Dit betekent natuurlijk niet dat er geen beperking is op de hoeveelheid, intensiteit en duur van ondersteuning. Binnen het beschikbare budget zal men met de ondersteuningsvragen van scholen gewoon onderwijs aan de slag moeten.

 

Voor de leerlingen type basisaanbod (en type 1, 8 in afbouw) blijft de voorwaarde gelden dat om in aanmerking te kunnen komen voor een gemotiveerd verslag, de leerling het voorafgaand schooljaar minstens negen maanden voltijds buitengewoon onderwijs moet gevolgd hebben, in type basisaanbod, type 1 of type 8. Dit betekent dus ook dat deze leerlingen met een gemotiveerd verslag pas ondersteuning kunnen krijgen vanuit een ondersteuningsnetwerk als eerst 9 maanden buitengewoon onderwijs voltooid zijn. Echter, leerlingen type basisaanbod die een verslag hebben en dus een IAC volgen, kunnen rechtstreeks ondersteuning vragen binnen het ondersteuningsnetwerk waartoe ze behoren ook zonder dat de leerlingen eerst onmiddellijk voorafgaand 9 maanden buitengewoon onderwijs moeten hebben gevolgd .

 

Scholen met leerlingen met gedrags- en emotionele problemen (type 3) kunnen ook ondersteuning krijgen, ook al is er (nog) geen (gemotiveerd) verslag afgeleverd en werd er (nog) geen psychiatrisch onderzoek uitgevoerd. Voor die leerlingen moet dan aan de volgende voorwaarden voldaan zijn:

  • Er werd in het voorafgaande schooljaar al een HGD (handelingsgericht diagnostisch) traject opgestart;
  • Fase 1 van verhoogde zorg werd in de school kwaliteitsvol doorlopen;
  • Het CLB heeft een HGD traject afgerond en oordeelt dat de onderwijsbehoeften van de leerling en de ondersteuningsnoden van de leerkracht(en) de expertise en ondersteuning vanuit het buitengewoon onderwijs vereist bovenop de maatregelen van verhoogde zorg door de school. De onderwijs- en ondersteuningsbehoeften zijn geformuleerd en vastgelegd in een multidisciplinaire teambespreking met een advies. Dit wordt geregistreerd in LARS als “formaliseren attest”. LARS is het elektronisch ‘Leerling Activiteiten en Registratie Systeem’ dat alle centra voor leerlingenbegeleiding gebruiken.

 


PDF file van deze pagina


 

aug 2017