Het Ondersteuningsmodel

Met het ondersteuningsmodel wil Vlaams minister van Onderwijs Hilde Crevits, een nieuwe stap zetten richting inclusief onderwijs. Het ondersteuningsmodel is een verdere uitrol van het M-decreet.

Hieronder vind je dan de meer uitgebreide informatie door ons gebundeld, meer bepaald over hoe het budget verdeeld wordt onder de kinderen, over ondersteuningscentra en over de organisatie van de ondersteuning zelf

Vanuit de overheid is er een webpagina voor ouders beschikbaar dat info geeft over dit ondersteuningsmodel. Vanuit de administratie is er ons ook een document met info voor ouders bezorgd. 


 

I. Hoe wordt ondersteuning georganiseerd:

 

De vroegere GON en ION begeleiding bestaat niet meer en is nu vervangen door 'ondersteuners' die gedetacheerd worden vanuit een ondersteuningsnetwerk of rechtstreeks vanuit de buitengewoon onderwijs school.

Hierbij zijn er twee verschillende scenario's:

 

1) Ondersteuning voor type 2, 4, 6 of 7 (auditieve beperking):

De ondersteuning van leerlingen type 2,4,6 of 7 auditieve beperking gebeurt dmv een ‘rugzakje’ met een gegarandeerd budget, de zogezegde 'open-end financiering'. Dwz dat er geen maximum budget wordt voorzien, maar dat de nodige middelen zowiezo worden voorzien. Het budget wordt wel afgehouden van de algemene pot middelen bestemd voor ondersteuning van kinderen met bijzondere onderwijsnoden (de voorafname).  

Deze leerlingen krijgen een gegarandeerde leerlinggerichte ondersteuning rechtstreeks van een ondersteuner uit een buitengewoon onderwijs school van het desbetreffende type. In principe hebben deze leerlingen dus niets te maken met het ondersteuningsnetwerk.

De ondersteuning omvat geen materiële omkadering dus (zoals aangepaste software bv.), dit wordt ten dele geregeld door de voorziene financiering van speciale onderwijsleermiddelen.

 

2) Ondersteuning voor type basisaanbod (type 1, 8 in afbouw), 3, 7 (spraak- of taalstoornis), 9 (ASS):

Het resterend budget, na aftrekking van de voorafname, wordt uitgekeerd aan de ondersteuningsnetwerken die instaan voor de ondersteuning van kinderen type basisaanbod (type 1, 8 in afbouw), 3, 7 (spraak- of taalstoornis), 9. De verdeling van de middelen gebeurt door commissies (voor elke schoolnet wordt er een commissie opgericht) op basis van een 70/30 verdeelsleutel: voor 70% op basis van het aantal leerlingen van de gewone scholen in een ondersteuningsnetwerk en voor 30% op basis van het gemiddeld aantal leerlingen met een (inschrijvings)verslag of gemotiveerd verslag gedurende de laatste 6 schooljaren in de gewone scholen binnen een netwerk.

In principe moeten de middelen aangewend worden voor leerling- of leerkrachtgerichte ondersteuning in de gewone scholen. In tegenstelling met de ondersteuning van type 2, 4, 6, 7(aud. bep) is er dus geen garantie op individuele ondersteuning.

Competentiebegeleiders zullen effectief werken aan de expertiseontwikkeling binnen de ondersteuningsnetwerken.

 

 

II. De ondersteuningsnetwerken:

 

De verschillende ondersteuningsnetwerken verspreid over Vlaanderen vind je hier.

 

Voor de ondersteuning van leerlingen met een (inschrijvings)verslag of gemotiveerd verslag voor type basisaanbod (type 1, 8 in afbouw), 3, 7 (spraak- of taalstoornis), 9, zijn de ondersteuningsnetwerken verantwoordelijk. Scholen voor gewoon onderwijs vormen ondersteuningsnetwerken met scholen voor buitengewoon onderwijs die deze types aanbieden. De CLB’s en de pedagogische begeleidingsdiensten zijn ook partners in het ondersteuningsnetwerk.

 

  • De ondersteuningsnetwerken bevatten scholen op niveau van het kleuteronderwijs, lager onderwijs en secundair onderwijs en zijn best zo efficiënt mogelijk georganiseerd zodat de reistijd van ondersteuners zoveel mogelijk beperkt kan worden en opdrachten zo min mogelijk versnipperd zijn.

 

  • Voor de vorming van de ondersteuningsnetwerken wordt maximaal ingezet op samenwerking met scholen van andere netten. Gewone scholen kunnen, indien ze dit wensen, opteren voor ondersteuning door een ondersteuningsnetwerk van een ander net en internettensamenwerking wordt versterkt. Elke gewone school kan dus kiezen binnen welk ondersteuningsnetwerk ze met scholen voor buitengewoon onderwijs en andere scholen voor gewoon onderwijs wil samenwerken. Elke gewone school is dus verbonden met één ondersteuningsnetwerk. Een school die geen deel uitmaakt van een ondersteuningsnetwerk, kan geen ondersteuning krijgen.

 

  • De samenstelling van een ondersteuningsnetwerk kan wijzigen.

 

  • Een gewone school kan wel afspraken maken met een ander ondersteuningsnetwerk. In dat kader kunnen scholen voor buitengewoon onderwijs middelen overdragen aan scholen voor buitengewoon onderwijs van een ondersteuningsnetwerk dat behoort tot een ander onderwijsnet. In principe kan een vroegere GON-begeleidster dus behouden blijven als die nu behoort tot een ander ondersteuningsnetwerk dan deze waar de gewone school normaliter mee werkt.

 

  • Elk ondersteuningsnetwerk voorziet in een laagdrempelig aanspreekpunt voor ouders. Ouders kunnen op die manier doorheen het hele schooljaar bij het ondersteuningsnetwerk terecht met algemene vragen rond ondersteuning en specifieke vragen rond ondersteuning binnen de school van hun kind.

 

  • Het gemeenschapsonderwijs, het provinciaal onderwijs en het onderwijs van de steden en gemeenten werden alvast verplicht om samen te werken in 1 officieel ondersteuningsnetwerk per regio vanaf het schooljaar 2018-2019. Het vrij gesubsidieerd onderwijs was vrij om aan te sluiten of om een nieuw ondersteuningsnetwerk uit te bouwen.

 

 

III. De ondersteuning zelf?

 

Bij het toekennen van ondersteuning is het belangrijk het diagram van het zorgcontinuüm voor ogen te houden:

 

zorgcontinuum

 

De inzet gebeurt daar waar de leerlingen met een gemotiveerd verslag of een verslag zitten die nood hebben aan extra ondersteuning. Ook hier is het belangrijk om deze 2 zaken te onderscheiden:

  • Een verslag betekent dat het kind het gemeenschappelijk curriculum (het gewone leerprogramma) niet kan volgen en dus een individueel aangepast curriculum (IAC) krijgt. Het kind komt in fase 3 van het zorgcontinuüm en heeft toegang tot het buitengewoon onderwijs als dit gewenst is.
  • Een gemotiveerd verslag betekent dat het kind het gewone leerprogramma kan volgen mits voldoende maatregelen en ondersteuning.

 

De ondersteuning vanuit het ondersteuningsmodel is dus bedoeld voor leerlingen die uitbreiding van zorg of specifieke individuele zorg nodig hebben, dus fases 2 en 3 van het zorgcontinuüm. Dit betekent dat CLB altijd ingeschakeld moet worden. Het ondersteunings-model is dus niet van toepassing bij fase 0 en 1. Dit gebeurt volgens de draagkracht en de visie van de scholen zelf!

 

Concreet:

Scholen voor gewoon onderwijs merken extra problemen bij een leerling, die binnen de maatregelen van fase 1 niet meer kunnen opgevangen worden en bepalen, samen met CLB en ouders, de ondersteuningsnoden via het stappenplan bij fase 2. Men spreekt ook van de opmaak van een HGD traject (handelingsgericht diagnostisch traject).

 

Er wordt dan eventueel overgegaan tot:

  • het opmaken van een gemotiveerd verslag als de leerling het gemeenschappelijk curriculum (het gewone leerprogramma) kan volgen of
  • het opmaken van een verslag als de leerling een individueel aangepast curriculum moet krijgen (het gewone leerprogramma niet kan volgen). Fase 3 wordt ingeschakeld. Een leerling kan, indien gewenst, nu overgaan naar het buitengewoon onderwijs.
  • het bepalen aan welke voorwaarden van welk type de leerling voldoet. Voor het bepalen van het type is het CLB nog steeds afhankelijk van onderwijsexterne diagnostische centra (behalve voor type BA).

 

Op basis van deze documenten kunnen scholen ondersteuning aanvragen bij

  • hun ondersteuningsnetwerk (in het geval van type basisaanbod, 3, 7 (spraak- of taalstoornis), 9 of
  • een buitengewoon onderwijs school (in het geval van type 2, 4, 6 of 7 (auditieve stoornis).

 

In de praktijk zijn er echter buitengewoon onderwijs scholen voor type 2, 4, 6 of 7 (auditieve stoornis) mee aangesloten in het ondersteuningsnetwerk. Gewone scholen zullen wellicht in de toekomst hun ondersteuningsnetwerk raadplegen voor de begeleiding van deze kinderen. Er is echter een keuze van ouders/kind welke school buitengewoon onderwijs zij verkiezen voor hun kind type 2, 4, 6 of 7 (auditieve stoornis)!

 

De ondersteuningsaanvragen kunnen het hele jaar door ingediend en opgestart worden.

Er wordt dan in de ondersteuningsnetwerken of met de buitengewoon onderwijsschool afgesproken welke ondersteuning, door wie, in welk volume, wordt ingezet. Ondersteuning kan dus flexibel en op maat worden ingezet, naargelang de noden. Het kan afgebouwd en terug opgestart worden en de intensiteit kan fluctueren in de tijd. Het is leerlinggericht (gegarandeerd bij type 2, 4, 6 en 7 (auditief)) of meer leerkrachtgericht. Er is geen enkel bepalend ondersteuningskader en ondersteuningsnetwerken zijn vrij om hun ondersteuning in te richten volgens hun visie (en middelen).

 

Deze aanpak verschilt dus grondig van het vroegere GON model dat ervan uitging dat leerlingen met eenzelfde problematiek (voor een aantal types gebaseerd op de medische ernst van de handicap) ook dezelfde hoeveelheid ondersteuning moesten krijgen. Dat wordt nu losgelaten om beter op de noden van leerlingen en leerkrachten in te spelen. Dit betekent natuurlijk niet dat er geen beperking is op de hoeveelheid, intensiteit en duur van ondersteuning. Binnen het beschikbare budget zal men met de ondersteuningsvragen van scholen gewoon onderwijs aan de slag moeten.

 

Voor de leerlingen type basisaanbod (en type 1, 8 in afbouw) blijft de voorwaarde gelden dat om in aanmerking te kunnen komen voor een gemotiveerd verslag, de leerling het voorafgaand schooljaar minstens negen maanden voltijds buitengewoon onderwijs moet gevolgd hebben, in type basisaanbod, type 1 of type 8. Dit betekent dus ook dat deze leerlingen met een gemotiveerd verslag pas ondersteuning kunnen krijgen vanuit een ondersteuningsnetwerk als eerst 9 maanden buitengewoon onderwijs voltooid zijn. Echter, leerlingen type basisaanbod die een verslag hebben en dus een IAC volgen, kunnen rechtstreeks ondersteuning vragen binnen het ondersteuningsnetwerk waartoe ze behoren ook zonder dat de leerlingen eerst onmiddellijk voorafgaand 9 maanden buitengewoon onderwijs moeten hebben gevolgd .

 

Scholen met leerlingen met gedrags- en emotionele problemen (type 3) kunnen ook ondersteuning krijgen, ook al is er (nog) geen (gemotiveerd) verslag afgeleverd en werd er (nog) geen psychiatrisch onderzoek uitgevoerd. Voor die leerlingen moet dan aan de volgende voorwaarden voldaan zijn:

  • Er werd in het voorafgaande schooljaar al een HGD (handelingsgericht diagnostisch) traject opgestart;
  • Fase 1 van verhoogde zorg werd in de school kwaliteitsvol doorlopen;
  • Het CLB heeft een HGD traject afgerond en oordeelt dat de onderwijsbehoeften van de leerling en de ondersteuningsnoden van de leerkracht(en) de expertise en ondersteuning vanuit het buitengewoon onderwijs vereist bovenop de maatregelen van verhoogde zorg door de school. De onderwijs- en ondersteuningsbehoeften zijn geformuleerd en vastgelegd in een multidisciplinaire teambespreking met een advies. Dit wordt geregistreerd in LARS als “formaliseren attest”. LARS is het elektronisch ‘Leerling Activiteiten en Registratie Systeem’ dat alle centra voor leerlingenbegeleiding gebruiken.

 


PDF file van deze pagina


 

mei 2018