Het Ondersteuningsmodel, wat weten we?

Ingediend door Annemie P. op di, 05/30/2017 - 20:38

Aangezien ouders voorlopig nog geen informatie krijgen of kunnen krijgen hebben wij de informatie, die momenteel voorhanden is, opgezocht en gelezen en geprobeerd om het ondersteuningsmodel, zoals het momenteel voorligt, op een bevattelijke manier te omschrijven. Het is uiteraard geen gemakkelijke materie, maar we hopen dat het wat tegemoet komt aan de vraag van ouders naar info. Wellicht is het ook voor mensen in het onderwijs interessant om eens te lezen.

Zeer waarschijnlijk zullen er nog aanvullingen gebeuren de komende tijd. Van zodra alles min of meer 'vast' staat wordt de info onder de knop 'ondersteuningsmodel' geplaatst.

Bij het opzoeken van de info en het schrijven van de samenvatting zijn toch ook weer bedenkingen naar boven gekomen. Deze hebben we gebundeld in de het analyse document.

Heb je zelf aanvullingen of verbeteringen dan horen we het graag (via contact)!

 

Hier vind je de twee documenten:

Stand van zaken Ondersteuningsmodel

Analyse

Vanuit de VLOR (Vlaamse onderwijsraad) werden aanbevelingen gedaan die we niet terugvinden in het huidige ondersteuningsmodel:

  1. Ondersteuners zouden moeten ingezet kunnen worden in iedere fase van het zorgcontinuum. Dit is wat Vlor aanraadt. “De inzet van een ondersteuningsteam op fase 0 en 1 van het zorgcontinuüm mag niet enkel afhangen van het doorlopen van een handelingsgericht traject n.a.v. de vraag van een schoolteam. De Vlor is er van overtuigd dat het leeuwendeel van de middelen zal ingezet worden voor ondersteuning in de fasen 2 en 3, maar dat fase 0 en 1 er niet van uitgesloten mogen worden. Het moet daarnaast mogelijk zijn dat de ondersteuning die aan leerlingen in fase 2 of 3 van het zorgcontinuüm geboden wordt, ook kan renderen voor meer leerlingen (in fasen 0 en 1). De Vlor beklemtoont het preventieve karakter van de fases 0 en 1 en dat het welslagen van het M-decreet mee afhangt van de inspanningen in de fases 0 en 1.”

  2. Basiszorg moet versterkt worden, scholen moeten betere financiering krijgen. De investering in middelen voor het onderwijs van de voorbije jaren is zelfs niet voldoende om de inflatie te compenseren. Ook leidde de toegenomen leerlingengroei maar in beperkte mate tot een stijging van de werkingsmiddelen.

    In 2015 is een grote besparingsgolf doorheen het onderwijs gegaan om de begroting te doen kloppen. Voor het basisonderwijs was er een besparing door een vermindering van de werkingsmiddelen met 2,3%, goed voor 11,4 miljoen. Voor het secundair onderwijs gaat het om een vermindering van de werkingsmiddelen met 4,5% of 20,5 miljoen en een besparing op omkadering van 60 miljoen of 1500 voltijdse betrekkingen. Bovendien werd in het secundair onderwijs nog een besparing van 3,5% doorgevoerd op het aanwendingspercentage op punten ondersteunend personeel, personeel dat juist werd ingezet als opvoeder / leerlingbegeleider / administratief medewerker! Ook was het niet meer mogelijk om een vervangleerkracht aan te stellen 2 weken voor een schoolvakantie. Samen goed voor een besparing van 29 miljoen. Onlangs nog was er het voorstel om leerkrachten een of twee lesuren (opdrachtbreuk op 22ste) langer per week te laten lesgeven voor hetzelfde loon. Ook het basisonderwijs heeft het water aan de lippen.

    Het zou nochtans al een heel goed begin zijn om klassen over het algemeen kleiner te maken en zo de basiszorg al te versterken.
    Ook vanuit de VLOR horen we:
    “Voldoende financiering voor alle fases van het zorgcontinuüm. De middelen voor basiszorg en verhoogde basiszorg zijn momenteel ontoereikend. Als leerlingen specifieke onderwijs- ondersteuning nodig hebben in de ondersteuningsfase 0 en 1, moeten er ook voldoende extra middelen voorzien zijn om die noden te lenigen.”

  3. “Er moet absoluut vermeden worden dat er een concurrentie ontstaat tussen samenwerkings- verbanden en/of ondersteuningsteams om zoveel mogelijk scholen te ondersteunen.”

  4. “Omdat de focus van de ondersteuning van de individuele leerling verschuift naar de ondersteuning van de leraren, speelt het pedagogisch project een belangrijke rol bij de organisatie van de ondersteuning.”
    “Extra middelen voor de coördinatie, coaching en aansturing van de ondersteuningsteams.” Ondersteuners moeten bijgeschoold worden.

  5. “Het voorstel om met onderwijszones of andere van bovenaf bepaalde geografische gehelen te werken, wordt afgewezen omdat die bestaande samenwerkingsverbanden kunnen doorkruisen.”

  1. Volgens de VLOR is de timing van dit ganse ondersteuningsmodel op zijn zachtst gezegd ‘krap’ te noemen.

    • Er moeten nog te veel elementen van het ondersteuningsmodel opgehelderd en geregeld worden zoals de regionale samenwerking tussen de verschillende actoren, de verdeling van de middelen en het competentieprofiel van de ondersteuners.

    • Er is tijd nodig om samenwerkingsverbanden en ondersteuningsteams te laten groeien en operationeel te maken. Ze kunnen onmogelijk volledig operationeel zijn op 1/9/2017.

    • Onder druk van een snelle invoering mogen geen beslissingen worden genomen die het langetermijnperspectief in het gedrang brengen.

    • Ouders en leerlingen moeten tijdig geïnformeerd worden over de veranderingen die op til zijn.

    • Er is meer duidelijkheid nodig voor belendende dossiers zoals leerlingenbegeleiding, bestuurlijke optimalisatie en het loopbaandebat.

    • Er zijn heel wat legistieke wijzigingen nodig in decreten en besluiten waaronder de huidige regelgeving GON, gemotiveerde verslagen, ...

  2. Ook volgens de VLOR: “Samenwerking met departement Welzijn is nodig. Er moet nagedacht worden over een afstemming met de persoonsvolgende financiering. Omdat onderwijs niet stopt op school, worden er meer PAB’s gevraagd voor minderjarigen zodat bijvoorbeeld ondersteuning bij vervoer of thuis mogelijk wordt. PAB moet ook ingezet kunnen worden in de school en klas en moet vooral beschikbaar zijn voor leerlingen die dit nodig hebben.”

  3. We horen en lezen ook steeds hét kind en dé leerkracht. We hebben niets gehoord over verschillen in secundair en basisonderwijs. Eén leerling in het basisonderwijs heeft één leerkracht die ondersteund moet worden door een ondersteuningsteam. Eén leerling in het secundair onderwijs heeft er verschillende. Op welke manier worden de leerkrachten daar ondersteund en hoeveel tijd moet de leerkracht daarvoor voorzien? Eén leerkracht in het secundair heeft bovendien véél leerlingen.

  4. De vraag is natuurlijk ook wat verstaan wordt onder verhoogde zorgnood en wie dit zal bepalen. Als er geen attestering meer gebeurt door externen, zal de ‘interne attestering’ toch moeten overnemen. Wie en op welke basis zal beslissen wanneer en welke verhoogde zorgnood nodig is? Wie garandeert welk budget voor welke zorgnood door welk ondersteuningsnetwerk zal toegekend worden. Hoe lang kan ondersteuning duren? Een hele schoolcarrière lang als het moet?

    De deur staat open voor ‘ondersteuningsshoppen’, zeker als sommige ondersteuningscentra netgebonden blijven. De ondersteuningsnetwerken krijgen de volledige vrijheid hierin en er is geen enkel controle orgaan. Een bepaalde conformiteit en een werkkader en controle hierop lijkt ons nochtans aangewezen. Een leerling die in één ondersteuningsnetwerk op een bepaalde manier wordt getest en waar een bepaalde ondersteuning wordt aan toegewezen moet op dezelfde manier dezelfde hoeveelheid ondersteuning krijgen in een ander ondersteuningsnetwerk (van een ander net bv.).

  5. 70% van de middelen worden aan de ondersteuningsnetwerken gegeven op basis van het aantal leerlingen die onder dit netwerk vallen. De motivatie is dat er een studie is die aantoont dat het vooral hoogopgeleide tweeverdieners zijn die ‘attesten jagen’ en GON krijgen en er dus een sociale correctie moet gebeuren. Jammer dat deze studie gebaseerde is op cijfers van 2010, met publicatiedatum 2012 (dus nog voor het M-decreet). Nochtans heeft dhr. Mardulier op de inclusiedag 2002 van ‘ouders voor inclusie’ gezegd dat er binnen het buitengewoon onderwijs een oververtegenwoordiging van bepaalde groepen is, zoals kinderen van allochtone afkomst en kansarme kinderen. Dus blijkbaar werden er toch veel attesten afgegeven aan kinderen van minder gegoede afkomst? Maar misschien wisten zij gewoon de weg niet naar GON? Dit is iets helemaal anders dan zeggen dat de attesten enkel worden afgegeven als ouders er de hersenen en het geld voor hebben. Een onderzoek door het COS (centrum voor ontwikkelingsstoornissen) is bovendien niet onnoemelijk duur.

11.We vinden niets terug ivm verplaatsingsvergoedingen i.f.v. dienstopdrachten (binnen het onderwijs geldt dat er geen   vergoeding is voor woon-werkverkeer met de eigen wagen: waar stopt het ene en start het andere?).

  1. Gezien alle middelen rechtstreeks naar de klasvloer moeten gaan: moeten dan ondersteuners zelf hun benzine betalen voor verplaatsingen i.f.v. dienstopdrachten? Moeten de scholen BuO dan zelf de middelen ophoesten voor de invulling van de coördinatiefunctie?

  2. In geen enkele passage of communicatie vinden we de rol van de ouders en het kind zelf terug. Enkel in de ‘ronde van Vlaanderen’ presentatie voor directeurs (mei en juni 2017) staat er dat buitengewoon onderwijs scholen een aanspreekpunt voor ouders moeten installeren en dat ouders betrokken worden bij het HGD traject (handelingsgericht diagnostisch traject opgesteld door het CLB). Op geen enkele manier wordt, vanuit de overheid, begrijpelijke en juiste informatie voor ouders beschikbaar gesteld!

    Voor ouders is het belangrijk om duidelijkheid te krijgen over de continuïteit van de ondersteuning. Hoeveel en in welke vorm krijgt hun kind nog ondersteuning? Vooral voor de grote groep type 9 kinderen heerst nu veel onduidelijkheid, veel kinderen hebben baat bij leerlinggerichte individuele begeleiding. Het is niet duidelijk of dit nog zal kunnen. Er heerst een sfeer van volstrekte willekeur.

    We blijven ijveren voor een gegronde inspraak van ouders zodat het doorverwijzen/attestering niet alleen afhangt van mensen die in het ondersteuningsnetwerk werkzaam zijn. Uiteindelijk zullen de ouders degene zijn die hun kind zien vastlopen en mee aan de alarmbel zullen trekken. Het kan niet dat een kind eerst herhaaldelijk tegen zijn grenzen aan moet lopen vooraleer het tot een buitengewoon onderwijs wordt toegelaten. De draagkracht van het gezin moet mee in het bepalen van de ondersteuningsnood/toegang tot buitengewoon onderwijs zitten.

  3. Zullen er voldoende ondersteuners zijn? Er wordt een extra budget voor 300 ondersteuners uitgetrokken. Onze vraag is van waar deze zullen komen? Hopelijk niet allemaal uit het buitengewoon onderwijs? Zoals de VLOR ook aanhaalt: “Doordat de zorgzwaarte van de populatie in het buitengewoon onderwijs toeneemt, moet de financiering herbekeken en indien nodig verhoogd worden. Leerlingen in een gespecialiseerde setting mogen niet vergeten worden.”

  4. Nergens vinden we ook de impact terug voor kinderen in het buitengewoon onderwijs. Wat als er te weinig kinderen overblijven in een buitengewone school om nog leefbaar te blijven? Er zijn nu al buitengewone scholen die de deuren moeten sluiten en waar expertise dus wegvloeit. Wat is de langetermijnvisie van de regering? Wat is ze op lange termijn van plan met het buitengewoon onderwijs en de kinderen met zware zorgnoden? Zal ze de VN volgen dat stelt dat er geen apart onderwijssysteem mag bestaan voor kinderen met een beperking? We blijven ijveren voor de keuze van een kwalitatief buitengewoon onderwijs met inspraak van ouders en kinderen. In een gewone onderwijssetting kan nooit dezelfde ondersteuning geboden worden als in het buitengewoon onderwijs zoals het nu is. Zeker voor leerlingen met zware zorgnoden is dit onderwijs onmisbaar.

  5. Nergens wordt vermeld dat er in de opleiding van leerkrachten een hervorming zal gebeuren om leerkrachten vanuit hun basisopleiding al competenter te maken in de omgang met leerlingen met een beperking. 

  6. We lezen niets over het toegankelijk maken van schoolgebouwen.

  7. We lezen niets over leerlingenvervoer.

  8. We lezen niets over buitenschoolse opvang.

  9. We lezen niets over therapie uren zoals kine, logopedie, enz.. dat extra binnen de schooluren zou kunnen ingepast worden. Zeker voor leerlingen van type 4 is kinesitherapie onontbeerlijk. In het buitengewoon onderwijs wordt daar aan tegemoet gekomen. Moeten ouders en kinderen daar ’s avonds voor opdraaien?

  10. We lezen niets over wat er gedaan wordt voor de leerlingen die momenteel nergens terecht kunnen voor onderwijs op maat en nu TOAH (tijdelijk onderwijs aan huis) krijgen.

  11. Zullen er in totaal genoeg middelen zijn? Is de 106,8 miljoen genoeg? Niemand weet het.
    Het lijkt alsof de middelen die vroeger gingen naar leerlingen in het buitengewoon onderwijs, nu uitgesmeerd en verdeeld moeten worden over kindbegeleiding, leerkrachtbegeleiding en - opleiding, logistieke ondersteuning,.. voor in totaal véél meer leerlingen met ondersteuningsnood. Wellicht help je daar inderdaad meer kinderen mee, maar de vraag is hoe je ze helpt. Help je ze voldoende of blijft het een druppel op een hete plaat. En de vraag is of er voldoende budget blijft voor de leerlingen met zware zorgnoden.

23.En als laatste maar niet onbelangrijke opmerking is de ethische kwestie. Hoe ga je verantwoorden dat een kind in het buitengewoon onderwijs veel meer middelen krijgt dan een kind in het gewoon onderwijs met een vergelijkbare problematiek en nood aan ondersteuning? Er hangt nu al een stigma aan deze leerlingen vanuit pro-inclusie hoek want ‘ze kosten veel geld, geld dat gebruikt kan worden voor ondersteuning in één inclusief onderwijs’. Ik citeer iemand van GRIPvzw, die vòòr totale en volledige inclusie is voor alle leerlingen: “Wanneer leerlingen met een handicap naar het gewoon onderwijs stappen, stoten ze nog vaak op een tekort aan ondersteuning. Deze middelen voor ondersteuning zijn wel beschikbaar wanneer ze naar het buitengewoon onderwijs gaan. Dit is pure discriminatie.”